Het vierde verslag van de grote reis naar Tokyo.

Met mijn laptop op schoot bestudeer ik in mijn hostel in Tblissi (Georgië) de kaart op Google maps. Mijn reis is net een geografische puzzel. Iran kan ik shaken. Ik heb geen visum en geen carnet voor de motor. Linksaf Rusland in met temperaturen van vijfendertig graden Celsius onder nul staat gelijk aan suïcide. Azerbeidzjan dan? In de hoofdstad Baku moet ik die ene veerboot zien te vinden die me naar de andere kant van de Kaspische zee zal brengen. In Aktau zal ik aanmeren en dan verder Kazachstan intrekken. Ook daar zal ik bevriezen. Nadenkend wrijf ik langs mijn baard. Misschien kan het geen kwaad om me de komende tijd helemaal niet te verroeren. Dan krijg ik een bericht op messenger. Ene Jose Ruiz schrijft dat hij op zijn BMW K75 van Sevilla naar Dubai reist. ‘Ik ben ook in Georgië. 
Let’s meet!’

Een dag later staat hij voor mijn neus, een vrolijke kerel met krullend haar en een enorme grijns op zijn gezicht. Het klikt meteen tussen ons. Jose stelt voor om samen naar Iran te reizen, over de Armeense bergen. 
Visum en carnet regelen we wel aan de grens. Ik stem in, want het vooruitzicht om in Tblissi maanden te wachten op acceptabel weer, stemt me bij voorbaat al somber.

Sneeuwwoestijn

De rit van Tblissi naar de Jerevan, de hoofdstad van Armenië is staalkoud. Maar het uitzicht op de hoogvlakte is bij vlagen hallucinerend mooi. Besneeuwde vlaktes, zover als we kunnen kijken. We wanen ons in een sneeuwwoestijn. Heel in de verte zie ik de top van de berg Ararat, als een soort van ruimteschip. Zonder problemen bereiken we de hoofdstad. Daar blijven we een paar dagen om ons voor te bereiden op de laatste vierhonderd kilometer naar de grensplaats Agarak. De vooruitzichten zijn niet best. Het sneeuwt hard in de bergen. De weg zelf zal in deze uithoek van Armenië slecht zijn. Ook zijn er nauwelijks hotels. Jose verwacht dat we vier dagen onderweg zijn. De beloning zal Iran zijn. Daar zijn woestijnen en waar woestijnen zijn, schijnt de zon. Na maanden van kou, regen en sneeuw lonkt de zon als nooit tevoren.

Op de ochtend van ons vertrek sneeuwt het en is het kwik gedaald tot min tien. In Armenië wordt niet gestrooid op de wegen en tegen zonsondergang voelen we hoe de motorfietsen over het asfalt beginnen te glijden - het sein om onze tenten op te zetten. Rillend van de kou liggen we in onze slaapzakken. Toch voel ik me de koning. Dit is het avontuur waar ik al een tijdje op zat te wachten. En: gedeelde smart is halve smart.

Gehuil van wolven

De volgende morgen staan we aan de voet van de bergen. Het asfalt is bedekt met een laag platgereden sneeuw. Mijn achterband heeft nauwelijks profiel. De Guzzi slingert van links naar rechts. Jose rijdt ietsjes voor me en ik zie hoe hij onderuit glijdt. Met moeite krijgen we de zwaarbeladen BMW overeind. Vrachtwagens passeren ons op een meter afstand. Ik zie alleen de wielen. Ik zucht diep. Nog geen vijfhonderd meter zijn we onderweg en ik begin me af te vragen of deze trip wel zo’n goed idee was. Vooral het optrekken is een probleem: we komen niet vooruit. Maar dan, alsof een onzichtbare hand ons een zetje geeft, komen we in ons ritme. We zetten de motor in de tweede versnelling en stoppen nergens meer voor. Ook als Jose weer eens onderuit glijdt, gebaart hij dat ik door moet rijden. Mijn remmen zijn inmiddels bevroren, ijspegels hangen overal aan de motor. Urenlang zitten we zo op de motor, de temperatuur is schrikbarend laag. Maar klagen doen we geen moment. Tot onze kleine linkertenen voelen we dat we leven. Omdat we nauwelijks geld op zak hebben, slapen we in onze tenten, eten wordt ons door mensen aangeboden. Op een nacht horen we het gehuil van wolven. Bij het ontwaken klinkt er rumoer bij onze tenten. Ik steek mijn hoofd naar buiten en zie vier militairen in camouflagepakken, gewapend met Kalasjnikov’s. Als ik ze weet duidelijk te maken dat we toeristen zijn, laten ze ons verder met rust. In dit gedeelte van Armenië, zeer dicht tegen de grens met Azerbeidzjan, wordt zo nu en dan over een weer geschoten. Dus zo vreemd is het niet dat de militairen even polshoogte komen nemen.

Sluipschutters

Vier dagen zijn we zo onderweg. Dan bereiken we Agarak. Uitchecken is een formaliteit. Als we over de brug naar de grenspost van Norduuz in Iran rijden, zie ik hier en daar wachttorens met sluipschutters. Zullen ze door het vizier naar ons kijken? De Iraanse grenswachten willen mij meteen terugsturen, omdat ik geen visum heb. Jose heeft dat wel. Na veel gepraat en gesmeek mag ik in de aankomsthal wachten op wat komen gaat. Ene Hossein, een fixer, regelt inmiddels het carnet voor de motor. Dat kost me vierhonderd euro, maar over het visum is niets zeker. Wel is men onder de indruk van onze prestatie. Nog nooit eerder hebben motorrijders in de winter deze grenspost bereikt. Ik voel trots. Na twee dagen onderhandelen en vele telefoontjes over en weer hoor ik dat ene, prachtige zinnetje: ‘Welcome to Iran’. Ik kan het nauwelijks geloven. Eindelijk zal de zon schijnen.

Facebook Twitter Youtube